Naar content

Hoofdnavigatie

Naar content

Hoofdnavigatie

Het leugenachtige leven van volwassenen

De mysterieuze Italiaanse auteur Elena Ferrante, bekend van de bestsellerserie 'De Napolitaanse romans', heeft een nieuw boek uitgebracht: 'Het leugenachtige leven van volwassenen'. Het eerste hoofdstuk van dit nieuwe boek lees je hieronder. Benieuwd naar de rest van het boek? Doe dan mee aan onze winactie op Facebook en maak kans op 'Het leugenachtige leven van volwassenen'.


Hoofdstuk 1

Twee jaar voordat mijn vader ons verliet zei hij tegen mijn moeder dat ik heel lelijk was. Hij zei het op fluistertoon, in het appartement dat mijn ouders, toen ze net getrouwd waren, hadden gekocht in de wijk Rione Alto, aan het einde van de Via San Giacomo dei Capri. Alles – de plekken in Napels, het blauwe licht van een ijskoude februarimaand, die woorden – is stil blijven staan. Maar ik ben weggegleden en glijd ook nu nog weg, in deze regels die mij een verhaal willen geven terwijl ik eigenlijk niets ben, niets eigens, niets wat echt is begonnen of echt tot voltooiing is gekomen: slechts een wirwar waarvan niemand, zelfs niet degene die op dit moment aan het schrijven is, weet of er de juiste draad in zit voor een verhaal of dat het gewoon een warrig verdriet is, zonder verlossing.

Ik heb veel van mijn vader gehouden, hij was altijd aardig. Hij had verfijnde manieren die helemaal in overeenstemming waren met een lichaam dat zo slank was dat zijn kleding een maat te groot leek, waardoor hij in mijn ogen iets onnavolgbaar elegants uitstraalde. Zijn gezicht had zachte trekken en niets – zijn diepe ogen met lange wimpers niet, zijn onberispelijk gebouwde neus niet, zijn volle lippen niet – bracht die harmonie uit balans. Hij deed altijd heel opgewekt tegen mij, hoe zijn of mijn humeur ook was, en hij trok zich nooit terug in zijn studeerkamer – hij studeerde altijd – voordat hij me op z’n minst een glimlach had ontlokt. Vooral mijn haar schonk hem vreugde, maar ik vind het nu moeilijk te zeggen wanneer hij begon met zijn loftuitingen, misschien al toen ik twee of drie jaar oud was. In elk geval voerden we tijdens mijn kindertijd dit soort gesprekken:

‘Wat heb je mooi haar, wat een kwaliteit, wat een glans, mag ik het hebben?’
‘Nee, het is van mij.’
‘Wees niet zo gierig.’
‘Als je wilt, mag je het lenen.’
‘Prima, ik geef het toch niet meer terug.’
‘Je hebt je eigen haar al.’
‘Dat heb ik van jou gepakt.’
‘Niet waar, je liegt.’
‘Kijk maar, het was zo mooi dat ik het van je heb gestolen.’

Ik keek, maar voor de grap, ik wist dat hij het nooit van me zou stelen. En ik lachte, ik lachte heel veel, met hem had ik meer plezier dan met mijn moeder. Hij wilde altijd iets van mij, mijn oor, mijn neus, mijn kin, hij zei dat ze zo volmaakt waren dat hij er niet zonder kon. Ik was dol op die toon, hij bewees me voortdurend hoe onmisbaar ik voor hem was.

Natuurlijk deed mijn vader niet bij iedereen zo. Soms, wanneer hij zich heel erg door iets liet meeslepen, kon hij in al zijn opwinding nog wel eens zijn zeer verfijnde redevoeringen doorspekken met ongecontroleerde emoties. Op andere momenten hield hij het juist kort en nam hij zijn toevlucht tot beknopte, uiterst precieze zinnen, die zo compact waren dat niemand meer iets zei. Dat waren twee vaders die heel anders waren dan de vader van wie ik hield, en ik merkte hun bestaan pas op toen ik zeven of acht was, toen ik hem hoorde discussiëren met vrienden en kennissen die af en toe bij ons thuis kwamen voor zeer verhitte bijeenkomsten over problemen waarvan ik niets begreep. Over het algemeen zat ik dan met mijn moeder in de keuken en besteedde ik weinig aandacht aan hoe ze een paar meter verderop ruziemaakten. Maar soms, wanneer mijn moeder dingen te doen had en ook zij zich terugtrok in haar kamer, ging ik alleen in de gang zitten spelen of lezen – meestal lezen, zou ik zeggen, omdat mijn vader heel veel las, mijn moeder ook, en ik graag wilde zijn zoals zij. Ik besteedde geen aandacht aan de discussies, ik stopte alleen met spelen of lezen wanneer het plotseling stil werd of mijn vader een van die vreemde stemmen opzette. Vanaf dat moment schreef hij de wet voor en dan wachtte ik tot de bijeenkomst voorbij was om te zien of hij weer normaal was geworden, de vader met de vriendelijke en liefdevolle stem.

De avond waarop hij die woorden zei was hij net te weten gekomen dat het niet zo goed ging op school. Dat was iets nieuws. Sinds de eerste klas van de basisschool was ik altijd een goede leerling geweest en pas de laatste twee maanden presteerde ik slecht. Maar mijn ouders hechtten veel belang aan goede schoolresultaten en vooral mijn moeder was bij de eerste slechte cijfers ongerust geworden.

‘Wat is er aan de hand?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Je moet leren.’
‘Dat doe ik.’
‘Maar?’
‘Sommige dingen onthoud ik, andere niet.’
‘Blijf leren totdat je alles onthoudt.’

Ik leerde uit alle macht, maar de resultaten bleven teleurstellend.

Die specifieke middag was mijn moeder met mijn leraren gaan praten en erg teleurgesteld teruggekomen. Ze had me niet de les gelezen, mijn ouders lazen me nooit de les. Ze had alleen gezegd: ‘De wiskundelerares is het minst tevreden, maar ze heeft gezegd dat als je echt wilt, je het wel kunt halen.’ Toen was ze naar de keuken gegaan om het avondeten klaar te maken en intussen was mijn vader thuisgekomen. Vanuit mijn kamer hoorde ik alleen dat ze het beklag van de leraren voor hem samenvatte, ik maakte eruit op dat ze de veranderingen van de vroege puberteit erbij haalde om het voor me op te nemen. Maar hij onderbrak haar, en met een van de stemmen die hij nooit bij mij gebruikte – zowaar een concessie aan het dialect, totaal verboden bij ons thuis – liet hij zich iets ontvallen wat hij zich zeker niet had willen laten ontvallen: ‘De puberteit heeft er niets mee te maken. Ze gaat op Vittoria lijken.’

Ik weet zeker dat als hij had geweten dat ik hem kon horen, hij nooit zou hebben gesproken op een manier die zo ver af stond van onze gebruikelijke geamuseerde luchtigheid. Ze dachten allebei dat mijn kamerdeur dichtzat, die deed ik altijd dicht, en ze realiseerden zich niet dat een van hen die had opengelaten. Zo leerde ik op mijn twaalfde van de ingehouden stem van mijn vader, die zijn best deed om zacht te praten, dat ik op zijn zus begon te lijken, een vrouw in wie – dat had ik hem zolang ik me kon herinneren horen zeggen – lelijkheid en boosaardigheid perfect op elkaar aansloten.

Hier zou je me kunnen tegenspreken: misschien overdrijf je, je vader zei niet letterlijk ‘Giovanna is lelijk’. Dat is waar, het zat niet in zijn aard om zulke botte woorden te gebruiken. Maar ik zat in een heel kwetsbare periode. Ik menstrueerde al bijna een jaar, je kon mijn borsten al heel goed zien en daar schaamde ik me voor, ik was bang dat ik stonk, ik waste me voortdurend, ik ging lusteloos naar bed en werd lusteloos wakker. In die periode was mijn enige troost, mijn enige zekerheid, dat hij absoluut alles aan mij geweldig vond. Dus toen hij me op gelijke hoogte stelde met tante Vittoria was dat erger dan wanneer hij zou hebben gezegd: ‘Ooit was Giovanna mooi, nu is ze lelijk geworden.’ De naam Vittoria klonk bij mij thuis als een monsterlijk wezen dat alle mensen die het aanraakt bevlekt en besmet. Ik wist weinig tot niets van haar, ik had haar zelden gezien maar – en dat is het punt – van die gelegenheden herinnerde ik me alleen de afkeer en de angst. Niet de afkeer en de angst die zij in levenden lijve mogelijk in mij had opgewekt, daar had ik geen enkele herinnering aan. Wat me bang maakte waren de afkeer en de angst die mijn ouders jegens haar voelden. Mijn vader praatte altijd al raadselachtig over zijn zus, alsof ze schandelijke rituelen beoefende die haar bezoedelden en daarmee iedereen die met haar omging. Mijn moeder had het nooit over haar en wanneer ze zich met mijn vaders uitbarstingen bemoeide, had ze juist de neiging hem de mond te snoeren alsof ze bang was dat zij, waar ze ook was, hen kon horen en meteen op hoge poten door de Via San Giacomo dei Capri zou rennen – hoewel het een lange en steile straat was – en opzettelijk alle ziekten van de ziekenhuizen in de buurt zou meenemen, naar ons huis op de zesde verdieping zou vliegen, de meubels stuk zou schieten met donkere, benevelde schichten uit haar ogen en mijn moeder zou slaan als ze alleen maar probeerde zich te verzetten.

Natuurlijk voelde ik wel aan dat achter die spanning een verleden van wederzijds onrecht moest zitten, maar ik wist toentertijd weinig van familiezaken en bovendien beschouwde ik die vreselijke tante niet als familie. Ze was een schrikbeeld uit mijn kindertijd, ze was een magere en bezeten schim, ze was een warrige gestalte die op de loer lag in hoekjes van huizen wanneer de duisternis viel. Moest ik dus zo, zonder enige inleiding, ontdekken dat ik op haar begon te lijken? Ik? Ik die tot op dat moment had geloofd dat ik mooi was en dankzij mijn vader meende dat ik dat voorgoed zou blijven? Ik die door zijn voortdurende erkenning dacht dat ik prachtig haar had, ik die geliefd wilde zijn zoals hij me liefhad, zoals hij me had doen geloven, ik die al verdrietig werd van het idee dat allebei mijn ouders ineens ontevreden over me waren, een ontevredenheid die me verontrustte en alles dof maakte?

Ik wachtte op mijn moeders woorden, maar haar reactie troostte me niet. Hoewel ze alle familieleden van haar man haatte en haar schoonzus verafschuwde zoals je een hagedis verafschuwt die over je blote been naar boven kruipt, schreeuwde ze niet naar hem: ‘Ben je gek, mijn dochter en jouw zus hebben niets gemeen.’ Ze hield het bij een futloos, zeer kort: ‘Nee joh, helemaal niet.’ En ik deed snel de deur van mijn kamer dicht om niets meer te hoeven horen. Toen huilde ik in stilte en ik hield pas op toen mijn vader – ditmaal met zijn lieve stem – kwam vertellen dat het eten klaar was.

Met droge ogen ging ik bij hen in de keuken zitten, met mijn blik op mijn bord moest ik een reeks nuttige adviezen aanhoren om mijn schoolprestaties te verbeteren. Na het eten deed ik weer alsof ik huiswerk maakte, terwijl zij voor de televisie zaten. Ik voelde een pijn die maar niet ophield of minder werd. Waarom had mijn vader die woorden gezegd, waarom had mijn moeder hem niet krachtig tegengesproken? Was het onvrede over mijn slechte cijfers of ongerustheid die niets te maken had met school, en god weet hoelang al duurde? En had hij, uitgerekend hij, die lelijke woorden uitgesproken vanwege een kortstondig verdriet dat ik hem had aangedaan, of had hij, met de scherpe blik van iemand die alles weet en alles ziet, al een hele tijd geleden de tekenen gezien van een toekomstige tekortkoming van mij, van een oprukkend kwaad dat hem ontmoedigde en waarvan hij zelf niet wist hoe hij ermee moest omgaan?

Verder lezen?

Doe dan mee met onze winactie op Facebook en maak kans op één van de vijf exemplaren van Het leugenachtige leven van volwassenen van Elena Ferrante, die we in samenwerking met uitgever Wereldbibliotheek mogen weggeven.